The Poodle Magic Pig Type – Order your signed CD

The Poodle Magic Pig Type – feat. Mark Watson
Fred Händls latest concoction contains fourteen tracks, all composed by Frank Zappa – arranged and produced by Fred Händl – co-produced by Marcel van de Vondervoort.
Nine of fourteen tracks can be previewed (prelistened) in full on my Bandcamp page.
Price for a signed CD (incl. shipping)
 
Netherlands: € 20,-
Europe: € 25,-
World: € 30,-
 
 
or Bank Transfer (please send an e-mail to:
Thank you,
~ Fred

 

Leidsche zeeduffel

Mensen die van Leidsche zeeduffels houden, weten natuurlijk meteen waar ik het over heb. Met de wind door het jaren ’70- haar, uitwaaien op het strand, met een goede joint in de leden. De schuimende koppen rijzen en vergaan als paddestoelen in de smeltoven. Het lag dan ook een beetje aan het soort wiet of u hier nu vrolijk of uiterst depressief van werd. En wat, ach, die tijd is weg om nooit meer weer te keren. De tijd van paars behang dat niemand lelijk vond, de oranje vormpjes en de uitvinding en het massale gebruik van keukententakels met stekkers eraan – spulletjes die men 30 jaar na dato nog dagelijks terugvindt op stinkende rommelmarkten, waar het zó vreselijk muf en zuur ruikt dat zelfs het roken van een sigaret geen verlichting biedt. Soms, heel soms, als de zon niet hard schijnt, het niet te druk is binnen en een slechte band slechte covers speelt van slechte liedjes van slechte artiesten, en je erbij kunt gaan zitten op een stoel achter een tafeltje en er bediening is, welnu, dan is het na een paar liter bier wel vol te houden. Wat niet wegneemt dat dat de spulletjes er niet aantrekkelijker op maakt. Integendeel, en meestal zijn ze stuk.

Het was de tijd waarin de haren welig groeiden, uit alle hoeken en gaten van de menselijke fysiek. Wij kennen allemaal de foto’s van de dansende meisjes in jurken van bloemen met zwiepende haren van onder haar oksels, nat van het zweet. Haar was goed, haar was okay. We kennen allemaal nog de naaktfoto’s van mooie meisjes, die in het zwart-wit werden gefotografeerd. Witte meisjes met een zo’n enorme bos schaamhaar op de venusheuvel, dat er een Chinees eenvoudig mee te bedekken zou zijn geweest, had men het geprobeerd. Ook baarden waren helemaal in. Niemand die zich niet scheerde werd lui genoemd, nee. Het was de tijd van baarden. In alle soorten en maten. En niet alleen de mannen mochten baarden dragen. Ook de vrouwen, maar jawel. Het was de tijd van eerlijkheid en eenheid en iedereen was hetzelfde, iedereen dronk en rookte en nam andere zaken tot zich. Het dragen van een baard was niet meer enkel voorbehouden aan de bergvrouwen. Ook in de stad won de vrouwenbaard in zeer grote mate aan populariteit. In vele vormen, maten en kleuren sierden deze baarden het straatbeeld. De thans weer zeer in trek zijnde goatee (niet voor niets ‘de pratende kut’ genoemd), de donkervolle imambaard, de grijsgespoten Vader Abrahambaard, de schurende tweedagenstoppelbaard en de immens hippe schaambaard. Niet alleen droegen de vrouwen en de meisjes deze baarden, lieten zij hun oksel- en schaamhaar welig tieren, zij groeiden ook harde stoppels rondom de tepels en versierden zo, hun anders zo kale, borsten. In alle soorten en maten. ‘Haar op je hoofd.’ ‘Haar maar waar.’ ‘Hip, haar op je lip.’ ‘Haar voor haar na.’ ‘Kapper, scheer u weg.’ Allemaal slagzinnen die u zich ongetwijfeld ook nog wel kunt herinneren. Het was een mooie tijd, die tijd. Een tijd vol romantiek. Een tijd van saamhorigheid, waar groepen mensen bijeen dromden over het hele land, bij elkaar kwamen in haar verstrengeld, mannen, vrouwen, apothekers. Overal, de ene baard nog langer dan de ander en paring vond niet alleen meer plaats tussen zielen van het andere kamp, maar er werd geduwd, getrokken en genoten van alle haaromrande gaten die het menselijke lichaam maar te bieden had. Het was voor iedereen die het meemaakte, de wereld in een notendop, met een glas of fles of ton of vat of fust met bier (een in die tijd ongekend populaire drank, gebrouwen van gerst, mout, hop en wat de brouwer er nog meer bij mikt – thans is deze drank nog steeds verkrijgbaar bij welke levensmiddelenwinkel dan ook. De moeite van het proberen waard (bij de barbecue, of uit het vuistje), niet te versmaden deze drank, aldus.) of een glaasje wijn.

Het was de tijd van voetballegendes, de opkomst van de gastarbeider en het braakwerend middel Expartinon (weet u nog, die grappige gele verpakking?) Een tijd waarin iedereen eigenlijk had moeten opgroeien, maar slechts enkelen van ons deden dat ook echt. Fysiek, of in het hoofd, en soms allebei. Nu niet meer, nu bestaat muziek (om maar een voorbeeld te noemen) haast uitsluitend nog uit – pardon, ik zit in een ander verhaal, waar was ik? Oh ja, dat het een tijd was waarin iedereen had moeten opgroeien. Slechts enkele van ons kennen dat geluk en ik ben dan ook zeer dankbaar dat ik er daar één van ben. Wie kent ú? Of misschien bent u zelf wel een van deze uitverkorenen. Of misschien vindt u van niet. Hoe het ook zij, niemand kan ontkennen dat het een prachttijd was. Een tijd vol romantiek en ja, liefde. Liefde voor het leven en The Beatles. Het was de tijd dat een auto nog een oranje gekleurde Ford Escort 1.1 mocht zijn. Het was de tijd van dat ik nog met Lego speelde en nabouwde wat er maar na te bouwen viel, met de beperkte keuze in blokjes die ik tot mijn beschikking had. Het was dan ook in die tijd, dat mijn vader zijn baard op een dag afschoor en aan mijn moeder vroeg of ze haar oksels ook niet weer eens zou scheren. Het was toch wel leuk geweest, zo? En hij had, zoals hij zo vaak al had gehad, gelijk. Als een lopend vuurtje ging het nieuws in de rondte. Iedereen ging elkaar te lijf en scheerde elkaar kaal. Hoofden moesten glimmen, kaas werd tussen de tenen weggekrabd, oksels geharst, bikinilijnen opnieuw ingezet en Ivo Niehe kreeg hetzelfde kapsel als dat van hemzelf. Mijn vader, door het gemis aan haar, kreeg het steeds kouder en kon maar geen jas vinden die hem warm kon houden.

Tót op het moment inderdaad dat hij bij een winkel in jassen een Leidsche zeeduffel tegen het rek liep. Een diepdonkerblauwe jas met houtjes en touwtjes in plaats van ritsen op drukkers. Mijn vader trok de jas aan die hem paste en rekende af bij de kassa. Onberispelijk opgevoed, die man. Een jas waarin ik kon spelen toen ik nog maar een klein ventje was. De capuchon zo groot als iets en dan die jas daaronder. En dan woog hij ook nog eens honderd kilo, man! Wat een mooie tijd was me dat toch. Geweldig speelgoed. Nu, vele jaren en winters en haardrachtmodes later, leeft iedereen zo maar een beetje in het wilde weg en doet waar hij zin in heeft, zolang hij anderen er maar mee lastig kan vallen. De een scheert zijn hoofd en de andere niet. De een heeft een baard en de andere niet. De een is een vrouw en de andere niet, enfin, ga zo nog maar even door. Eenheid? Nooit van gehoord, zeggen ze dan als je ze om een antwoord vraagt. Eenheid van elektrische weerstand? Ohm? Maar natuurlijk! Nee, klootzak! Eenheid, weet je, van dat iedereen baarden heeft. Snáp dat dan eens een keertje. U ziet, het valt niet mee om opgegroeid te zijn in de jaren waarin ik opgroeide. En de tientallen jaren die daarop volgden waren ook al geen pretje voor mij. Nu, dat geef ik dan maar eerlijk toe, omdat ik nu toch over mezelf begin, nu gaat het weer een beetje en ben ik van de schrik bekomen en heb ik dan maar geaccepteerd dat het zo is zoals het is. En ik vind daar veel rust in, weet u. ’s Avonds als ik in slaap val, bijvoorbeeld. Dan rust ik uit, dat het een lieve lust is. Ik rust zelfs zó en in díe mate uit, dat als ik ’s morgens wakker word nog helemaal moe ben van de slaap. En mijn vader? Ach, mijn vader past niet meer in zijn zuiver scheerwollen Leidsche zeeduffel. Hij is een man die met zijn eigen tijd meegaat en zodoende niet echt opschiet. Maar als hij zich iets in zijn hoofd haalt, dan blijft dat wel degelijk zitten. Zo is hij, geloof het of niet, vorig jaar een computerwinkel binnengestapt en zei, toen hij aan de beurt was, tegen de verkoper: “Hallo, doet u mij maar een computer. Voor thuis, is dat, en niet om voor op te werken, maar voor muziek te luisteren en om op internet iets op te zoeken. U moet weten dat ik namelijk op zoek ben naar een nieuwe Leidsche zeeduffel en ik heb alle winkels al gehad. Nu vertelde iemand mij dat men met de computer nog veel meer winkels kan bezoeken, wellicht dat er daar iets voor mij tussenzit. Een Leidsche zeeduffel van zuiver scheerwol, weet u wel? Als er iets van polyester in zit, is dat geen bezwaar, maar bij voorkeur scheerwol, omdat dat de regen beter buiten houdt; want dat wol regenwater absorbeert als een spons, wat zeg ik, veel beter nog dan een spons, dat moet u weten. En het lijkt mij dus een goed idee om bij u en uw zaak een computer te kopen, zodat ik straks als ik weer thuis ben, eens goed op zoek kan gaan naar een dergelijke jas. Want, mijnheer, een Leidsche zeeduffel is een jas. Een behoorlijke jas, met geen rits of knopen maar met lusjes en houtjes. Houtje- touwtje, precies. En ik had vroeger zo’n jas, toen iedereen zijn haren begon kaal te scheren, en ook ik het opeens erg koud kreeg. Toen had ik zo’n jas en ik heb hem nog, trouwens, maar alleen, u moet zien, ik pas daar niet meer in. De jaren hebben op mij ook hun uitwerking gehad en niet alles past me meer zoals ik graag zou willen dat het me zou passen. In de meeste schoenen geraak ik nog wel, zonder al te veel problemen, maar broeken willen niet meer sluiten, de shirts passen niet meer achter de riem en ook mijn buik moet ik al boven diezelfde riem dragen, omdat ik anders helemaal voor gek loop. Zo ook dat mijn jas me niet meer past. Ziet u mijn noodzaak en kunt u mij alstublieft helpen?” Toen hij uitgepraat was, was hij niet meer aan de beurt.

 

uit: Treindenken, door Fred Händl, 2009

Nœud papillon – verwacht

Nœud papillon, verwacht
Gedichten
Paperback
ISBN in aanvraag

“Nœud papillon. Mijn tweede dichtbundel. Nog niet helemaal klaar is deze. Er ontbreken op zijn minst nog dertig gedichten, maar ik ben er druk mee bezig. De bedoeling is om het werkje zo ergens een keer af te ronden. Is het niet dit jaar, dan wellicht het volgende.

Ook al moet ik er nog redelijk wat aan toevoegen, ik ben al zover dat er een omslag voor is en een handjevol gedichten. Het eerste gedicht heet Waterhelft en het tweede niet. Het derde ook niet, trouwens. En zonder ze allemaal op te noemen, kunt u er gerust op zijn dat Waterhelft alleen de titel is van het eerste gedicht.”

Fred Händl


Waterhelft

kijk, de muren gapen
mijn muren
van steen en ouwel
de drukte van weleer
krimp, groei, ween

als nachten, de uil
die draait haar nek
om en om en om en om
kijkend naar de takken
de grond en het gras

bijt me vast, mijn liefste
en neem me in je armen
lach, als de zon en de maan
het mooiste van de wereld
licht, donker, donker met lichtjes

een zee, meneer, een zee
drieste golven, een paneel
zand wat ooit stenen was
kiezels in mijn pap
voor morgenvroeg, opnieuw

kies, verlaat, vergeet en kras
mijn naam in het stof
het stof op mijn piano
en de roest in mijn hoofd
pardon, het steekt me
nog altijd.

Balstaan

glas, fust, plank voor diender
de twijfel gutst me langs de rug
in mijn hand de vragen

vind van dichtbij, of in de verte
een kennis terug
of vriend

deel met delen, een laatste lach
een kus, een hand
niet weg, gebleven

zwaai mij straks uit
tot aan het einde van de laan
en treur niet lang

de week van regen
een dag bij jou
en nu, bij jou

Les trous

van het kleine dorp
de naam vergeten
het café noir, de klokken
et Muriel

de tijd niet ingehaald
de zon op ‘t goud’n koren
les amis, ma sœur

beweegt het behang
langs de ramen naar buiten
la petite jaune

Voet

daar woont hij
aan de gracht
in mijn oude stad

om zomaar
uit het verleden
terug te komen

met muziek, hoera
een andersom horloge
en spuitbusverf

de nacht
en mama’s fiets
politieman

het gebeurt vandaag
en twintig jaar geleden
opnieuw voorbij

laat dat
alstublieft
zo blijven

Berlijn

koop voor mij
het Ampelmännchen
voor aan de sleutelhanger

draai me rond in de ballon
op de grond
kijken, een Kölsch, dan maar

mijn liefde
de eerste knuffel
in de zon naar huis

thuis, in Eindhoven
de klucht!
stiekem roken

en mijn ring
voor haar
en dat hij pastte

om haar vinger
die naar me wijst
als ik nu

al die jaren later
opnieuw
haar hand vastpak

Kwel

smijt niet met mijn leven
het is fragiel genoeg

de schoen trek ik me aan
de jurk, die is van jou

als je langzaam voor me staat
je ogen in een kneep

Fred Händl

Portrait by Jurgen Verfaillie

Fred Händl is, naast musicus, ook schrijver. Hij schrijft columns, korte (en langere) verhalen en romans. Daarnaast schrijft hij, wegens tijdgebrek, gedichten (Butsen in oranje, 2009 en Nœud papillon, verwacht 2015).

Geboren en kortstondig getogen in Bliesdorf (DDR) in 1972. Händl is, na vele omzwervingen (El Salvador, Russia, Mexico, Greece, France, Slovenia en Montenegro) terecht gekomen in Eindhoven. Hier heeft hij de kunst van het leven tot in de finesses leren beheersen. Alles was zo gebleven als hij niet in 2006 verhuisd was naar Den Haag.

Na een heftige periode van een aantal jaren op Nederlandse en Duitse podia (als zanger bij Flux’ en als gitarist bij Panus Bolus – de helaas te vroeg ter ziele gegane punkband met Mick Levell), besluit Fred terug te keren naar zijn oude liefde: de piano. In 2012 stelt hij Weltvergnugen samen, een slimme compilatie van zijn oude gitaarwerk en zijn nieuwere piano-opnames.

Van zijn schrijvershand verschenen onder meer: De alfabetcolumns, Seattle’s Best Coffee, Visum voor Rusland, Voldoende nagedacht en De kunst van het innemen. In 2009 verscheen Treindenken bij een soort van uitgeverij, maar dat heeft eigenlijk nooit echt geboterd. Fred besloot dan ook in 2013 dat daar een eind aan moest komen. En aldus geschiede. Als mensen hem vragen naar het hoe en waarom, antwoordt hij steevast met: ‘Het is niet meer zoals het was. Het is nu anders en het is prima zo.’

~ Jass Vernkontoret
© Dublin, 2012

Wijnfeest

de elleboog van mijn rechterarm
tussen boven en onder
knelt een zenuw af
daag’lijks ongemak

dat het mij weerhoudt
eens flink te drinken
een feestje tot
des morgens vroeg

een potje schaak
een dobbelspel
of met kaarten
en een schijfje
worst

leverworst en kaasjes
een bolletje mostaard
waar alleen een veeg
van overblijft

~ Fred Händl, 2013

Leidsche zeeduffel

Mensen die van Leidsche zeeduffels houden, weten natuurlijk meteen waar ik het over heb. Met de wind door het jaren ’70-haar, uitwaaien op het strand, met een goede joint in de leden. De schuimende koppen rijzen en vergaan als paddestoelen in de smeltoven. Het lag dan ook een beetje aan het soort wiet of u hier nu vrolijk of uiterst depressief van werd. En wat, ach, die tijd is weg om nooit meer weer te keren. De tijd van paars behang wat niemand lelijk vond, de oranje vormpjes en de uitvinding en het massale gebruik van keukententakels met stekkers eraan. De tijd waarin de haren welig groeiden, uit alle hoeken en gaten van de menselijke fysiek. Wij kennen allemaal de foto’s van de dansende meisjes in jurken van bloemen met zwiepende haren van onder haar oksels, nat van het zweet. Haar was goed, haar was okay. We kennen allemaal nog de naaktfoto’s van mooie meisjes, die in het zwart-wit werden gefotografeerd. Witte meisjes met een zo’n enorme bos schaamhaar op de venusheuvel, dat er een Chinees eenvoudig mee te bedekken zou zijn geweest, had men het geprobeerd. Ook baarden waren helemaal in. Niemand die zich niet scheerde werd lui genoemd, nee. Het was de tijd van baarden. In alle soorten en maten. En niet alleen de mannen mochten baarden dragen. Ook de vrouwen, maar jawel. Het was de tijd van eerlijkheid en eenheid en iedereen was hetzelfde, iedereen dronk en rookte en nam andere zaken tot zich. Het dragen van een baard was niet meer enkel voorbehouden aan de bergvrouwen. Ook in de stad won de vrouwenbaard in zeer grote mate aan populariteit. In vele vormen, maten en kleuren sierden deze baarden het straatbeeld. De thans weer zeer in trek zijnde goatee (niet voor niets ‘de pratende kut’ genoemd), de donkervolle imambaard, de grijsgespoten Vader Abrahambaard, de schurende tweedagenstoppelbaard en de immens hippe schaambaard. Niet alleen droegen de vrouwen en de meisjes deze baarden, lieten zij hun oksel- en schaamhaar welig tieren, zij groeiden ook harde stoppels rondom de tepels en versierden zo, hun anders zo kale, borsten. In alle soorten en maten. ‘Haar op je hoofd.’ ‘Haar maar waar.’ ‘Hip, haar op je lip.’ ‘Haar voor haar na.’ ‘Kapper, scheer u weg.’ Allemaal slagzinnen die u zich ongetwijfeld ook nog wel kunt herinneren. Het was een mooie tijd, die tijd. Een tijd vol romantiek. Een tijd van saamhorigheid, waar groepen mensen bijeen dromden over het hele land, bij elkaar kwamen in haar verstrengeld, mannen, vrouwen, apothekers. Overal, de ene baard nog langer dan de ander en paring vond niet alleen meer plaats tussen zielen van het andere kamp, maar er werd geduwd, getrokken en genoten van alle haaromrande gaten die het menselijke lichaam maar te bieden had. Het was voor iedereen die het meemaakte, de wereld in een notendop, met een glas of fles of ton of vat of fust met bier (een in die tijd ongekend populaire drank, gebrouwen van gerst, mout, hop en wat de brouwer er nog meer bij mikt – thans is deze drank nog steeds verkrijgbaar bij welke levensmiddelenwinkel dan ook. De moeite van het proberen waard (bij de barbecue, of uit het vuistje), niet te versmaden deze drank, aldus.) of een glaasje wijn.

Het was de tijd van voetballegendes, de opkomst van de gastarbeider en het braakwerend middel Expartinon (weet u nog, die grappige gele verpakking?). Een tijd waarin iedereen eigenlijk had moeten opgroeien, maar slechts enkelen van ons deden dat ook echt. Fysiek, of in het hoofd, en soms allebei. Nu niet meer, nu bestaat muziek (om maar een voorbeeld te noemen) haast uitsluitend nog uit – pardon, ik zit in een ander verhaal, waar was ik? Oh ja, dat het een tijd was waarin iedereen had moeten opgroeien. Slechts enkele van ons kennen dat geluk en ik ben dan ook zeer dankbaar dat ik er daar één van ben. Wie kent ú? Of misschien bent u zelf wel een van deze uitverkorenen. Of misschien vindt u van niet. Hoe het ook zij, niemand kan ontkennen dat het een prachttijd was. Een tijd vol romantiek en ja, liefde. Liefde voor het leven en The Beatles. Het was de tijd dat een auto nog een oranje gekleurde Ford Escort 1.1 mocht zijn. Het was de tijd van dat ik nog met Lego speelde en nabouwde wat er maar na te bouwen viel, met de beperkte keuze in blokjes die ik tot mijn beschikking had.

Het was dan ook in die tijd, dat mijn vader zijn baard op een dag afschoor en aan mijn moeder vroeg of ze haar oksels ook niet weer eens zou scheren. Het was toch wel leuk geweest, zo? En hij had, zoals hij zo vaak al had gehad, gelijk. Als een lopend vuurtje ging het nieuws in de rondte. Iedereen ging elkaar te lijf en scheerde elkaar kaal. Hoofden moesten glimmen, kaas werd tussen de tenen weggekrabd, oksels geharst, bikinilijnen opnieuw ingezet en Ivo Niehe kreeg hetzelfde kapsel als dat van hemzelf. Mijn vader, door het gemis aan haar, kreeg het steeds kouder en kon maar geen jas vinden die hem warm kon houden. TOT! Tót op het moment inderdaad dat hij bij een winkel in jassen een Leidsche zeeduffel tegen het rek liep. Een diepdonkerblauwe jas met houtjes en touwtjes in plaats van ritsen op drukkers. Mijn vader trok de jas aan die hem paste en rekende af bij de kassa. Onberispelijk opgevoed, die man. Een jas waarin ik kon spelen toen ik nog maar een klein ventje was. De capuchon zo groot als iets en dan die jas daaronder. En dan woog hij ook nog eens honderd kilo, man! Wat een mooie tijd was me dat toch. Geweldig speelgoed.

Nu, vele jaren en winters en haardrachtmodes later, leeft iedereen zo maar een beetje in het wilde weg en doet waar hij zin in heeft, zolang hij anderen er maar mee lastig kan vallen. De een scheert zijn hoofd en de andere niet. De een heeft een baard en de andere niet. De een is een vrouw en de andere niet, enfin, ga zo nog maar even door. Eenheid? Nooit van gehoord, zeggen ze dan als je ze om een antwoord vraagt. Eenheid van elektrische weerstand? Ohm? Maar natuurlijk! Nee, klootzak! Eenheid, weet je, van dat iedereen baarden heeft. Snáp dat dan eens een keertje. U ziet, het valt niet mee om opgegroeid te zijn in de jaren waarin ik opgroeide. En de tientallen jaren die daarop volgden waren ook al geen pretje voor mij. Nu, dat geef ik dan maar eerlijk toe, omdat ik nu toch over mezelf begin, nu gaat het weer een beetje en ben ik van de schrik bekomen en heb ik dan maar geaccepteerd dat het zo is zoals het is. En ik vind daar veel rust in, weet u. ’s Avonds als ik in slaap val, bijvoorbeeld. Dan rust ik uit, dat het een lieve lust is. Ik rust zelfs zó en in díe mate uit, dat als ik ’s morgens wakker word nog helemaal moe ben van de slaap.

En mijn vader? Ach, mijn vader past niet meer in zijn zuiver scheerwollen Leidsche zeeduffel. Hij is een man die met zijn eigen tijd meegaat en zodoende niet echt opschiet. Maar als hij zich iets in zijn hoofd haalt, dan blijft dat wel degelijk zitten. Zo is hij, geloof het of niet, vorig jaar een computerwinkel binnengestapt en zei, toen hij aan de beurt was, tegen de verkoper: ‘Hallo, doet u mij maar een computer. Voor thuis, is dat, en niet om voor op te werken, maar voor muziek te luisteren en om op internet iets op te zoeken. U moet weten dat ik namelijk op zoek ben naar een nieuwe Leidsche zeeduffel en ik heb alle winkels al gehad. Nu vertelde iemand mij dat men met de computer nog veel meer winkels kan bezoeken, wellicht dat er daar iets voor mij tussenzit. Een Leidsche zeeduffel van zuiver scheerwol, weet u wel? Als er iets van polyester in zit, is dat geen bezwaar, maar bij voorkeur scheerwol, omdat dat de regen beter buiten houdt; want dat wol regenwater absorbeert als een spons, wat zeg ik, veel beter nog dan een spons, dat moet u weten. En het lijkt mij dus een goed idee om bij u en uw zaak een computer te kopen, zodat ik straks als ik weer thuis ben, eens goed op zoek kan gaan naar een dergelijke jas. Want, mijnheer, een Leidsche zeeduffel is een jas. Een behoorlijk jas, met geen rits of knopen maar met lusjes en houtjes. Houtje-touwtje, precies. En ik had vroeger zo’n jas, toen iedereen zijn haren begon kaal te scheren, en ook ik het opeens erg koud kreeg. Toen had ik zo’n jas en ik heb hem nog, trouwens, maar alleen, u moet zien, ik pas daar niet meer in. De jaren hebben op mij ook hun uitwerking gehad en niet alles past me meer zoals ik graag zou willen dat het me zou passen. In de meeste schoenen geraak ik nog wel, zonder al te veel problemen, maar broeken willen niet meer sluiten, de shirts passen niet meer achter de riem en ook mijn buik moet ik al boven diezelfde riem dragen, omdat ik anders helemaal voor gek loop. Zo ook dat mijn jas me niet meer past. Ziet u mijn noodzaak en kunt u mij alstublieft helpen?’ Toen hij uitgepraat was, was hij niet meer aan de beurt.

~ Fred Händl, 2009

Straatnieuws #16

Bij de draaideur die toegang verschaft tot het winkelcentrum bij mij in de buurt (en niet alleen bij mij in de buurt, maar bij een heleboel anderen mensen ook, natuurlijk – het zou wat zijn), staat elke dag een meneer. Elke dag dezelfde meneer, ook. Hij zegt vriendelijk ‘goemorguh’, waarbij de r rolt en naadloos overgaat in de g.

Onder zijn arm een stapeltje exemplaren van Straatnieuws (regio Rotterdam/Den Haag). Wij groeten elkaar elke dag, maar een praatje maken (laat staan een transactie) is er niet bij. Ik heb natuurlijk wel wat beters te doen, zodra ik die draaideur door ben. Sokken kopen, bijvoorbeeld. Of een natte croissant van de kutbakker.

Vandaag, echter, moest ik er zijn om een aantal aanzichtkaarten te kopen. Drie, om precies te zijn. Drie is namelijk een aantal. Eentje voor de een, eentje voor de ander en eentje voor als ik een fout schrijf op een van de eerste twee.

Goedgeluimd, omdat ik drie mooie kaartjes had gevonden, besloot ik om vandaag ook maar eens een straatnieuws te kopen. Van de meneer. Daar wordt hij vast heel blij van, dacht ik nog.

Ik kwam op hem af, en vroeg wat #16 van deze uitgave van Straatnieuws moest kosten. Dat bleek twee euro te zijn. Godverdomme, wat duur! dacht ik. Maar in plaats van dat tegen hem te zeggen, graaide ik in mijn buidel en haalde daar een muntstuk van twee euro uit. “Vandaag laatste, morguh nieuwe. Niet kopen, deze.” Ah! Morgen verschijnt #17, dus. De meneer wilde deze eigenlijk helemaal niet verkopen, omdat het een oudje was. Morgen komt er een nieuwe, dus ik kan beter morgen terugkomen. Wat frappant! Alsof ik op de uitkijk lag voor de nieuwste. Neen, ik wilde gewoon een keer iets kopen, maar daar gingen mijn goede bedoelingen. De meneer hield de krant achter zijn rug, in plaats van hem aan mij te geven. En ik stond daar mooi voor lul met dat muntstukje. Maar wacht eens, druiloor! Zo makkelijk kom je niet van me af! Ik griste nog een zelfde munt uit mijn kamelenlederen buidel en hield hem aldus vier euro voor zijn neus. “Geef me #16, heer! Dan kom ik morgen wel terug voor die nieuwe.” En kijk, tegen zo veel logica kon ook de meneer niet op en Straatnieuws #16 wisselde, voor vier euro, van eigenaar.”

Thuis blader ik vluchtig door het krantje heen (het minste wat ik kon doen) en leg het daarna waar het hoort: ergens op de vloer. Hé, een strip op de achterkant. Dat zal wel niet veel wezen. Maar allez, ik ben de flauwste niet. Het is een paginalang avontuur van twee, mij tot op heden onbekende snuiters; Kaasheld en Poephoofd. Verrassend slecht getekend. Een genot!

Morgen ben ik, voor #17, de eerste. Gelooft u mij maar.

Dag van afscheid

Zo sta je ‘s morgens op, zo lig je ‘s avonds weer in bed. En dan te bedenken dat ik niet eens vreesde om het te vergeten. Zomaar, zonder iets anders in mijn hoofd, opnieuw begonnen. De dag beginnen. Op naar de bakker voor zoete broodjes. Het is maar goed dat ik me nergens druk over maak, dat zou niets voor mij zijn. Maar nu ga ik dan toch echt even een sigaret roken.

Op straat lopen, dat is iets wat haast onvermijdelijk is, doe ik niet graag. Ik hoor er te weinig Art Blakey en ook Pepper Adams ben ik nog nooit tegengekomen. Geef mij, hoera, mijn eigen huis en de kring van cirkels rondom mijn gitaar. Een glas rode wijn en wierook om mijn zin te vergeuren. Daar dan nog een glas rode wijn bij, op weg naar morgen. Het is ook zo, dat als iemand weggaat, iemand die je bijvoorbeeld nog kent van vroeger, er een gat in je leven raakt. Dat zie je dan zelf graag weer opgevuld. Door iemand anders bijvoorbeeld. Ene meneer Gordon (Mack), heeft het al in 1942 opgeschreven: there will never be another you. Later heeft Chet Baker daar nog een fijne trompetsolo bij gespeeld. En Chet niet alleen! Maar voldoende, nu. Het is al erg genoeg. Waar had ik het in hemelsnaam toch over? En of ik mezelf daar niet mee wil bemoeien.

En zo valt de avond. In mijn huis, met muziek die het huis weer leger maakt, omdat mijn cd speler 21 nummers zo door elkaar geschud afspeelt dat er een lied uitkletst wat ik liever niet had willen horen, nu. Het gaat nergens over, maar daar gaat het niet om, dat weet ik als geen ander. Ik heb een klok in mijn kamer hangen die op vijf voor twaalf staat. Als ik daar op kijk, denk ik aan de dag dat hij stil moest staan van mij. Er was namelijk de mooiste avond van mijn leven aan de gang. Met muziek daarbij. En mijn handen vol met een vrouw die nooit meer uit mijn leven zou verdwijnen.

Dat was alweer een tijdje geleden, merk ik, als ik even over mijn schouder naar de klok kijk. Het is nog steeds even laat, er klinkt andere muziek, rode wijn is inmiddels weer gewoon bier geworden. Ik proost op mezelf en hoef er niet bij te lachen.

~ Fred

Omdat het pijn doet

Met de wereld om mij heen is het maar belabberd gesteld. Ik weet dat, omdat ik met veel te grote regelmaat moet lezen dat er weer olifanten zijn gedood om hun tanden. Dat doet mij welhaast fysiek pijn, weet u dat? En hoe zeer ik ook tracht mijn leven netjes te leiden en maar tracht mij niets aan te trekken van alle klootzakken en kutwijven om mij heen, merk ik dat met de dagen de cirkel van fatsoen, geluk en medeleven kleiner en kleiner wordt. En wat ik er aan kan doen, weet ik niet. Wat ik dénk er aan te kunnen doen, doe ik. Ik zonder mij steeds verder af. Daarvoor hoef ik in het geheel niet van het toneel te verdwijnen, hoor. Ik zonder mij af waar iedereen bij staat, en zonder dat ook maar iemand iets in de gaten heeft.

U kent de verhalen wel … “Het was zo’n aardige man, nooit gedacht dat hij voor de trein zou springen. Hij was gelukkig en zei altijd hallo.” Nu, zo’n verhaal zal er over mij niet snel te vertellen vallen. Ten eerste omdat ik zo aardig helemaal niet meer ben en ten tweede omdat ik als de dood ben voor treinen. “Presenteer mij een gifbeker en ik de wereld uit!”, roep ik luid door mijn lege kamer. Ik hoop stiekem dat iemand het heeft gehoord, maar ik weet dat niemand het heeft gehoord. Ik schenk mijzelf dan maar nog een gifbekertje in. Met biersmaak, bubbels en een mooi etiket met daarop de foto van een oude bierbrouwerij en ik stel mij voor dat ik terug in de tijd kan stappen. Zo van: “Hupsakee!” en dat ik dan, zoals in een spannende film, mijzelf opeens bevind in Duitsland. Aan de poort van de afgebeelde brouwerij op mijn flesje met bier. Ik loop naar binnen en word op slag verliefd op de meid. Zij niet op mij, dus ik besluit om maar weer terug te gaan naar waar ik vandaan kom en schrijf er een stukje over.

~ Fred

Van de negers

In de zomer wil ik nog weleens op vakantie gaan. En omdat mijn gezin mij niet graag aan mijn lot overlaat, gaan we met z’n allen. Dat is voor de een wat minder onaangenaam dan voor de ander, maar daarvan zal ik u de details besparen. Het is immers geen flauwekul, zo’n vakantie.

Het begint allemaal met het kiezen van een bestemming. Mijn inbreng is daarbij niet van belang, omdat de criteria die ik daaromtrent hanteer eenvoudig, helder en overzichtelijk zijn. Aan de hand van het zetten van een checklistvinkje bij twee van de twee vereisten waar een vakantie voor mij aan moet voldoen, is het al in orde: Het is er warm en Er is bier.

Zo kwamen we dit jaar, na ongeveer drie uur vliegen, aan op het vliegveld van Fira, Santorini. Een uiterst puik hotel, met dito bar en geweldige barman vielen ons te beurt. We hadden het in dergelijk mate zo naar ons zin, dat wij voor de klok van het middaguur al dronken waren. Mijn vrouw en ik, welteverstaan, want wij vinden de kleine meid met drie jaar nog wat te jong voor zowel een piña colada als voor een biertje. Hoe verfrissend dat ook kan zijn, zo onder de warme zon van Santorini. Zij zelf schijnt daar allerminst moeite mee te hebben en tikt zonder blikken of blozen de ene versgeperste jus de pommes na de andere naar binnen.

Ik ga u niet trakteren op onze hele vakantie, ten eerste omdat ik veel te veel geneigd zou zijn om er van allerlei onzin bij te gaan verzinnen en ten tweede omdat ik dat allemaal liever voor mezelf houd. En mocht er nog een derde reden zijn, dan is dat wel omdat ik aan u eigenlijk helemaal geen tijd meer wil verspillen. Ik doe het toch, want ik heb zojuist, een uurtje of wat geleden alweer, aan iemand de blode belofte gedaan dat ik een verhaal zou gaan schrijven. Een verhaal van de negers op het strand. Ik ben als de dood voor hem, dus ik ben dan maar meteen aan de slag gegaan.

Tijdens de vakantie gebeurt er tegelijkertijd een heleboel en helemaal niks. Een combinatie waar ik uiterst gecharmeerd van ben, zeker tijdens mijn jaarlijkse zomervakantie. Een van de dingen die gebeurden, was het passeren van de negers op het strand. Met elegante en ontspannende tred, lopen zij (geheel gekleed in spijkerbroek en overhemden met lange mouwen, wel met de bovenste knoopjes open, natuurlijk – ter verfrissing én om van te smullen voor de zonnebadende dames) heen en weer over het strand. Dat doen zij niet zomaar, beste lezer. Dat doen zij niet zomaar. Dat doen zij namelijk met het doel om geld te verdienen. Want, zoals u misschien niet weet, negers verdienen wel degelijk graag geld! Vandaar dat ze op alle vakantiebestemmingen waar u ooit bent geweest en nog naar toe zult gaan, te vinden zijn.

Ze verkopen zonnebrillen, lederen tassen, slaapzakken en hoedjes van papier. En nog veel meer. Petjes bijvoorbeeld. Petjes, knuffelaugurken, regenjassen en mollenvangen. Het is dan ook altijd een bonte bende als de negers over het strand lopen.

Op het strand van Kamari, waar wij dagelijks te vinden waren, kwamen elke dag eenmaal (soms vaker) de negers langs. Zij verkochten aan de mensen zelf gevlochten armbandjes in allerlei vrolijke kleuren. Dan kwamen ze naar ons toe en groetten ons dan vriendelijk. Daarbij staken ze een vuist naar voren en zeiden ze: Peace and Love, en dan bokste ik en mijn dochter tegen die uitgestoken vuist en zeiden wij ook: Peace and Love. Mijn vrouw heeft al genoeg Peace and Love van zichzelf.

Tot zover niets bijzonders. Wel bijzonder, is dat ze ons nooit vroegen om een armbandje te kopen. Dat vond ik eigenlijk wel prima, want die handenarbeid vertrouw ik voor geen meter. En al helemaal niet als ik daar vijf euro voor zou moeten neertellen.

Perissa

We zijn bij de dag aangekomen waarop ik tegen mijn vrouw zei: “Overmorgen is de vakantie al weer voorbij.” Zij kon zulks enkel beamen en ik nam een ferme teug uit het gekoelde bierglas (helemaal vol met zojuist getapte Mythos). Zij nam een enorme hap uit een tros druiven en schopte met haar voet de vaas met bloemen om. Niet omdat ze haar in de weg stonden of irriteerden, neen! Als mijn vrouw een vaas met bloemen omschopt, dan heeft zij daar een geldige reden voor. Vaak, maar niet altijd, vertelt ze mij die reden. Ditmaal was de reden dat het helemaal niet haar bedoeling was de vaas met bloemen om te schoppen, maar dat het een ongelukje betrof. Gelukkig is de vaas nog heel en bedraagt de schade enkel een kleine plas water op de vloer van ons terras. Een plas die in het heersende klimaat opdroogt terwijl je er naar kijkt. Ook als je er niet naar kijkt, trouwens.

En terwijl de plas bezig is te veranderen in waterdamp, besluit ik om samen met mijn dochter een klein dagtripje te maken naar Perissa. Een boottochtje naar een andere baai. Aldaar gaan we samen lekker aan de zee zitten, terwijl mama een dagje afkoelt aan het zwembad. Want dat kan natuurlijk ook. In de rust van de schaduw en in luwte van de wind, leest ze wat af. Daar kan zelfs ik niet tegenop schrijven. Gelukkig vindt ze mijn pen maar niks, anders had ik het huis niet meer uitgekomen. En daar zijn we al op pad.

Op het strand van Perissa is het een stuk rustiger dan op het strand van Kamari (waar het eigenlijk ook al helemaal niet druk was – een aanrader, dus beste lezer, een aanrader – Kamari, niet Perissa). Het is er prachtig, maar, wat zeg ik nu net, behoorlijk rustig. Bijna geen winkeltjes en maar een handvol barretjes. Nu is één bar al genoeg om dronken te worden, dat weet ik uit ervaring, maar op vakantie wil ik ook graag wat te kiezen hebben. Nu waren we op Perissa niet voor het bier, maar om samen wat quality time door te brengen en dat gingen we doen ook! Allebei een ijsje, lekker zwemmen en genieten van het kijken naar de zon die door de gaatjes van de parasol op onze bol schijnt. Een heerlijke een-na-laatste dag van de vakantie.

En, alsof het feest al niet groot genoeg was, zien wij in de verte de negers aan komen wandelen. Mijn dochter zegt “Peace and Love” tegen mij en steekt haar kleine vuistje naar voren. Ik boks Peace and Love terug en samen wachten we op de komst van de negers. Als er een naar ons toe loopt, is mijn dochter hem te vlug af, en ze steekt haar vuistje al naar voren. Een boks en enorme glimlach van de neger krijgt ze er voor terug. En voordat hij weg wil lopen, besluit ik dat dit het moment is om voor ons allebei een armbandje te kopen. Ten eerste als herinnering aan Santorini en ten tweede natuurlijk om de vreselijk aardige en relaxte negers niet te vergeten.

Ik eentje in de reggaekleuren rood, geel, groen en zwart en mijn dochter eentje met roze, mauve, purper en lila.

Weer thuis

Als we weer thuis zijn, zijn we de vakantie eigenlijk veel te vlug weer vergeten en gaat het leven van weleer verder zoals het was. Natuurlijk denk ik er nog vaak aan terug, maar langzaam slijt het toch wel een beetje. Wij hebben allebei ons armbandje nog om en boksen regelmatig een Peace and Love. Wat heerlijk is dat toch.

Een week of wat geleden wandelden wij door het centrum van Den Haag, op weg naar de bioscoop. Mijn dochter zit op mijn nek en roept opeens: “Kijk papa, een neger!” Tja, daar had ze nog gelijk in ook, dus wat te doen? Ik moest toch maar even een plannetje bedenken om er voor te zorgen dat ze voortaan niet bij elke neger: “Kijk papa, een neger!” gaat roepen. Mensen zouden nog eens rare dingen gaan denken. Na kort overleg met mezelf zeg ik tegen haar: “Schat, dat is gewoon een meneer. De negers zijn op het strand en verkopen armbandjes.” En daar was ze het meteen mee eens. Ik steek mijn vuist omhoog en zij bokst me een Peace and Love.

Dat had ik toch maar mooi weer opgelost. Dat met die negers.

Naar school

Vorige week bracht ik haar naar school. Een gebeurtenis die moeiteloos aansluit op het bovenstaande, dus waarvan ik echt nog even melding wil maken. Bij haar op school nemen alle kindjes een fruitje mee (een kiwi, een appel, peer of een watermeloen) die ze dan in de loop van de ochtend gezellig samen oppeuzelen. Mijn dochter neemt ook altijd een speelgoedje mee. Dat kan haar witte knuffelhondje zijn, een prentenboek of (zoals vandaag) haar armbandje.

Ik breng haar naar de klas en zij geeft de juf haar appel. Terwijl ik wegloop, hoor ik de juf vragen: “En wat heb je hier voor iets moois?” Mijn dochter antwoordt, terwijl ik net de drempel naar buiten overstap, “Dat is een Peace and Love-armbandje.” Ik blijf staan, want ik weet wat er nu gaat komen en ik wil het voor geen goud in de wereld missen.

~ Fred

Meedoen

Meedoen. Dat vond ik vroeger ook al kut. Liever doe ik namelijk helemaal niet mee. Nergens aan. Gewoon, mijn eigen ding doen, met de gordijnen dicht en de knop van de volume ergens tussen de 6 en 7. En dan bij voorkeur luisteren naar muziek die ergens over gaat. Die van Frank Zappa, bijvoorbeeld. Of van J.S. Bach (dat is Johann, met twee n’en). Naast mij parkeer ik op mijn tafel dan graag een pilsener. De laatste tijd ben ik erg gecharmeerd van het Oekraïense bier: Obolon. Maar ook van het wat minder bekende Zhigulyovskoye. Dat terzijde.

Zo werd mij nog geen twee weken geleden nog gevraagd of ik mee wilde doen aan een of ander project. Ik heb verder niet om details gevraagd, maar gewoon meteen ‘nee’ gezegd. “Fuck toch off met je kutproject!” dacht ik, terwijl ik mij netjes verontschuldigde het veel en veel te druk te hebben. In werkelijkheid heb ik hele dagen geen reet te doen, maar dat hoeft niet iedereen te weten, natuurlijk.

Ik zie net dat ik in minder dan 500 woorden al tweemaal het woord kut heb gebezigd. Nou, dan zal ik het wel menen ook! Dat gezegd, word het langzamerhand steeds leger om me heen. Je kunt mensen blijkbaar maar een paar keer (en sommigen maar eens) bedanken voor de uitnodiging. Het bevalt me prima, als ik heel eerlijk ben.

Zeg ik.