re-provision

In 1996, Fred Händl released these 1995 recordings. Recorded at the PB Recording Studios in Eindhoven (The Netherlands).

A lot can be said about the album, but first, one should’ve really listened to it. It’s not a particular genre, but it can be best described using Händl’s label: avantpunkpopguitargarde. It describes the pretty varied compositions on re-provision pretty well. There’s all of that. And some analogue and digital samples (but probably not as you would call them).

Fred recorded the album using a (malfunctioning) Revox Pareidolia, his dad’s AKAI AX MX-100 Midi Stereo System, a Shure 55SH microphone, 1992 Fernandes Telecaster, Custom Lab Series L5 amplifier, Boss effects (distortion, phaser and chorus), 1967 CryBaby, Casio HT-3000, Casio SK-1, Swallow Bb trumpet, Adolf Lehman piano and some things that can no longer be traced.

It features 28 tracks and has performances by Herrie Friend (2nd guitar solo on Your Cate Ate Mine and Doc Kotceh H. (guitar on Tu Regalo)). Special guest appearances by Bobbie Flücks (vocals on Weltvergnugen and Für den Tür), Elmer Scott (trumpet on Alphonso) and someone else (thought to be a guy named Jake Whitte) on piano. The true identities of these names is source of speculation.

Buy re-provision on iTunes and be cool.

~ Jass Vernkontoret

Leidsche zeeduffel

Mensen die van Leidsche zeeduffels houden, weten natuurlijk meteen waar ik het over heb. Met de wind door het jaren ’70-haar, uitwaaien op het strand, met een goede joint in de leden. De schuimende koppen rijzen en vergaan als paddestoelen in de smeltoven. Het lag dan ook een beetje aan het soort wiet of u hier nu vrolijk of uiterst depressief van werd. En wat, ach, die tijd is weg om nooit meer weer te keren. De tijd van paars behang wat niemand lelijk vond, de oranje vormpjes en de uitvinding en het massale gebruik van keukententakels met stekkers eraan. De tijd waarin de haren welig groeiden, uit alle hoeken en gaten van de menselijke fysiek. Wij kennen allemaal de foto’s van de dansende meisjes in jurken van bloemen met zwiepende haren van onder haar oksels, nat van het zweet. Haar was goed, haar was okay. We kennen allemaal nog de naaktfoto’s van mooie meisjes, die in het zwart-wit werden gefotografeerd. Witte meisjes met een zo’n enorme bos schaamhaar op de venusheuvel, dat er een Chinees eenvoudig mee te bedekken zou zijn geweest, had men het geprobeerd. Ook baarden waren helemaal in. Niemand die zich niet scheerde werd lui genoemd, nee. Het was de tijd van baarden. In alle soorten en maten. En niet alleen de mannen mochten baarden dragen. Ook de vrouwen, maar jawel. Het was de tijd van eerlijkheid en eenheid en iedereen was hetzelfde, iedereen dronk en rookte en nam andere zaken tot zich. Het dragen van een baard was niet meer enkel voorbehouden aan de bergvrouwen. Ook in de stad won de vrouwenbaard in zeer grote mate aan populariteit. In vele vormen, maten en kleuren sierden deze baarden het straatbeeld. De thans weer zeer in trek zijnde goatee (niet voor niets ‘de pratende kut’ genoemd), de donkervolle imambaard, de grijsgespoten Vader Abrahambaard, de schurende tweedagenstoppelbaard en de immens hippe schaambaard. Niet alleen droegen de vrouwen en de meisjes deze baarden, lieten zij hun oksel- en schaamhaar welig tieren, zij groeiden ook harde stoppels rondom de tepels en versierden zo, hun anders zo kale, borsten. In alle soorten en maten. ‘Haar op je hoofd.’ ‘Haar maar waar.’ ‘Hip, haar op je lip.’ ‘Haar voor haar na.’ ‘Kapper, scheer u weg.’ Allemaal slagzinnen die u zich ongetwijfeld ook nog wel kunt herinneren. Het was een mooie tijd, die tijd. Een tijd vol romantiek. Een tijd van saamhorigheid, waar groepen mensen bijeen dromden over het hele land, bij elkaar kwamen in haar verstrengeld, mannen, vrouwen, apothekers. Overal, de ene baard nog langer dan de ander en paring vond niet alleen meer plaats tussen zielen van het andere kamp, maar er werd geduwd, getrokken en genoten van alle haaromrande gaten die het menselijke lichaam maar te bieden had. Het was voor iedereen die het meemaakte, de wereld in een notendop, met een glas of fles of ton of vat of fust met bier (een in die tijd ongekend populaire drank, gebrouwen van gerst, mout, hop en wat de brouwer er nog meer bij mikt – thans is deze drank nog steeds verkrijgbaar bij welke levensmiddelenwinkel dan ook. De moeite van het proberen waard (bij de barbecue, of uit het vuistje), niet te versmaden deze drank, aldus.) of een glaasje wijn.

Het was de tijd van voetballegendes, de opkomst van de gastarbeider en het braakwerend middel Expartinon (weet u nog, die grappige gele verpakking?). Een tijd waarin iedereen eigenlijk had moeten opgroeien, maar slechts enkelen van ons deden dat ook echt. Fysiek, of in het hoofd, en soms allebei. Nu niet meer, nu bestaat muziek (om maar een voorbeeld te noemen) haast uitsluitend nog uit – pardon, ik zit in een ander verhaal, waar was ik? Oh ja, dat het een tijd was waarin iedereen had moeten opgroeien. Slechts enkele van ons kennen dat geluk en ik ben dan ook zeer dankbaar dat ik er daar één van ben. Wie kent ú? Of misschien bent u zelf wel een van deze uitverkorenen. Of misschien vindt u van niet. Hoe het ook zij, niemand kan ontkennen dat het een prachttijd was. Een tijd vol romantiek en ja, liefde. Liefde voor het leven en The Beatles. Het was de tijd dat een auto nog een oranje gekleurde Ford Escort 1.1 mocht zijn. Het was de tijd van dat ik nog met Lego speelde en nabouwde wat er maar na te bouwen viel, met de beperkte keuze in blokjes die ik tot mijn beschikking had.

Het was dan ook in die tijd, dat mijn vader zijn baard op een dag afschoor en aan mijn moeder vroeg of ze haar oksels ook niet weer eens zou scheren. Het was toch wel leuk geweest, zo? En hij had, zoals hij zo vaak al had gehad, gelijk. Als een lopend vuurtje ging het nieuws in de rondte. Iedereen ging elkaar te lijf en scheerde elkaar kaal. Hoofden moesten glimmen, kaas werd tussen de tenen weggekrabd, oksels geharst, bikinilijnen opnieuw ingezet en Ivo Niehe kreeg hetzelfde kapsel als dat van hemzelf. Mijn vader, door het gemis aan haar, kreeg het steeds kouder en kon maar geen jas vinden die hem warm kon houden. TOT! Tót op het moment inderdaad dat hij bij een winkel in jassen een Leidsche zeeduffel tegen het rek liep. Een diepdonkerblauwe jas met houtjes en touwtjes in plaats van ritsen op drukkers. Mijn vader trok de jas aan die hem paste en rekende af bij de kassa. Onberispelijk opgevoed, die man. Een jas waarin ik kon spelen toen ik nog maar een klein ventje was. De capuchon zo groot als iets en dan die jas daaronder. En dan woog hij ook nog eens honderd kilo, man! Wat een mooie tijd was me dat toch. Geweldig speelgoed.

Nu, vele jaren en winters en haardrachtmodes later, leeft iedereen zo maar een beetje in het wilde weg en doet waar hij zin in heeft, zolang hij anderen er maar mee lastig kan vallen. De een scheert zijn hoofd en de andere niet. De een heeft een baard en de andere niet. De een is een vrouw en de andere niet, enfin, ga zo nog maar even door. Eenheid? Nooit van gehoord, zeggen ze dan als je ze om een antwoord vraagt. Eenheid van elektrische weerstand? Ohm? Maar natuurlijk! Nee, klootzak! Eenheid, weet je, van dat iedereen baarden heeft. Snáp dat dan eens een keertje. U ziet, het valt niet mee om opgegroeid te zijn in de jaren waarin ik opgroeide. En de tientallen jaren die daarop volgden waren ook al geen pretje voor mij. Nu, dat geef ik dan maar eerlijk toe, omdat ik nu toch over mezelf begin, nu gaat het weer een beetje en ben ik van de schrik bekomen en heb ik dan maar geaccepteerd dat het zo is zoals het is. En ik vind daar veel rust in, weet u. ’s Avonds als ik in slaap val, bijvoorbeeld. Dan rust ik uit, dat het een lieve lust is. Ik rust zelfs zó en in díe mate uit, dat als ik ’s morgens wakker word nog helemaal moe ben van de slaap.

En mijn vader? Ach, mijn vader past niet meer in zijn zuiver scheerwollen Leidsche zeeduffel. Hij is een man die met zijn eigen tijd meegaat en zodoende niet echt opschiet. Maar als hij zich iets in zijn hoofd haalt, dan blijft dat wel degelijk zitten. Zo is hij, geloof het of niet, vorig jaar een computerwinkel binnengestapt en zei, toen hij aan de beurt was, tegen de verkoper: ‘Hallo, doet u mij maar een computer. Voor thuis, is dat, en niet om voor op te werken, maar voor muziek te luisteren en om op internet iets op te zoeken. U moet weten dat ik namelijk op zoek ben naar een nieuwe Leidsche zeeduffel en ik heb alle winkels al gehad. Nu vertelde iemand mij dat men met de computer nog veel meer winkels kan bezoeken, wellicht dat er daar iets voor mij tussenzit. Een Leidsche zeeduffel van zuiver scheerwol, weet u wel? Als er iets van polyester in zit, is dat geen bezwaar, maar bij voorkeur scheerwol, omdat dat de regen beter buiten houdt; want dat wol regenwater absorbeert als een spons, wat zeg ik, veel beter nog dan een spons, dat moet u weten. En het lijkt mij dus een goed idee om bij u en uw zaak een computer te kopen, zodat ik straks als ik weer thuis ben, eens goed op zoek kan gaan naar een dergelijke jas. Want, mijnheer, een Leidsche zeeduffel is een jas. Een behoorlijk jas, met geen rits of knopen maar met lusjes en houtjes. Houtje-touwtje, precies. En ik had vroeger zo’n jas, toen iedereen zijn haren begon kaal te scheren, en ook ik het opeens erg koud kreeg. Toen had ik zo’n jas en ik heb hem nog, trouwens, maar alleen, u moet zien, ik pas daar niet meer in. De jaren hebben op mij ook hun uitwerking gehad en niet alles past me meer zoals ik graag zou willen dat het me zou passen. In de meeste schoenen geraak ik nog wel, zonder al te veel problemen, maar broeken willen niet meer sluiten, de shirts passen niet meer achter de riem en ook mijn buik moet ik al boven diezelfde riem dragen, omdat ik anders helemaal voor gek loop. Zo ook dat mijn jas me niet meer past. Ziet u mijn noodzaak en kunt u mij alstublieft helpen?’ Toen hij uitgepraat was, was hij niet meer aan de beurt.

~ Fred Händl, 2009

Straatnieuws #16

Bij de draaideur die toegang verschaft tot het winkelcentrum bij mij in de buurt (en niet alleen bij mij in de buurt, maar bij een heleboel anderen mensen ook, natuurlijk – het zou wat zijn), staat elke dag een meneer. Elke dag dezelfde meneer, ook. Hij zegt vriendelijk ‘goemorguh’, waarbij de r rolt en naadloos overgaat in de g.

Onder zijn arm een stapeltje exemplaren van Straatnieuws (regio Rotterdam/Den Haag). Wij groeten elkaar elke dag, maar een praatje maken (laat staan een transactie) is er niet bij. Ik heb natuurlijk wel wat beters te doen, zodra ik die draaideur door ben. Sokken kopen, bijvoorbeeld. Of een natte croissant van de kutbakker.

Vandaag, echter, moest ik er zijn om een aantal aanzichtkaarten te kopen. Drie, om precies te zijn. Drie is namelijk een aantal. Eentje voor de een, eentje voor de ander en eentje voor als ik een fout schrijf op een van de eerste twee.

Goedgeluimd, omdat ik drie mooie kaartjes had gevonden, besloot ik om vandaag ook maar eens een straatnieuws te kopen. Van de meneer. Daar wordt hij vast heel blij van, dacht ik nog.

Ik kwam op hem af, en vroeg wat #16 van deze uitgave van Straatnieuws moest kosten. Dat bleek twee euro te zijn. Godverdomme, wat duur! dacht ik. Maar in plaats van dat tegen hem te zeggen, graaide ik in mijn buidel en haalde daar een muntstuk van twee euro uit. “Vandaag laatste, morguh nieuwe. Niet kopen, deze.” Ah! Morgen verschijnt #17, dus. De meneer wilde deze eigenlijk helemaal niet verkopen, omdat het een oudje was. Morgen komt er een nieuwe, dus ik kan beter morgen terugkomen. Wat frappant! Alsof ik op de uitkijk lag voor de nieuwste. Neen, ik wilde gewoon een keer iets kopen, maar daar gingen mijn goede bedoelingen. De meneer hield de krant achter zijn rug, in plaats van hem aan mij te geven. En ik stond daar mooi voor lul met dat muntstukje. Maar wacht eens, druiloor! Zo makkelijk kom je niet van me af! Ik griste nog een zelfde munt uit mijn kamelenlederen buidel en hield hem aldus vier euro voor zijn neus. “Geef me #16, heer! Dan kom ik morgen wel terug voor die nieuwe.” En kijk, tegen zo veel logica kon ook de meneer niet op en Straatnieuws #16 wisselde, voor vier euro, van eigenaar.”

Thuis blader ik vluchtig door het krantje heen (het minste wat ik kon doen) en leg het daarna waar het hoort: ergens op de vloer. Hé, een strip op de achterkant. Dat zal wel niet veel wezen. Maar allez, ik ben de flauwste niet. Het is een paginalang avontuur van twee, mij tot op heden onbekende snuiters; Kaasheld en Poephoofd. Verrassend slecht getekend. Een genot!

Morgen ben ik, voor #17, de eerste. Gelooft u mij maar.

Dag van afscheid

Zo sta je ‘s morgens op, zo lig je ‘s avonds weer in bed. En dan te bedenken dat ik niet eens vreesde om het te vergeten. Zomaar, zonder iets anders in mijn hoofd, opnieuw begonnen. De dag beginnen. Op naar de bakker voor zoete broodjes. Het is maar goed dat ik me nergens druk over maak, dat zou niets voor mij zijn. Maar nu ga ik dan toch echt even een sigaret roken.

Op straat lopen, dat is iets wat haast onvermijdelijk is, doe ik niet graag. Ik hoor er te weinig Art Blakey en ook Pepper Adams ben ik nog nooit tegengekomen. Geef mij, hoera, mijn eigen huis en de kring van cirkels rondom mijn gitaar. Een glas rode wijn en wierook om mijn zin te vergeuren. Daar dan nog een glas rode wijn bij, op weg naar morgen. Het is ook zo, dat als iemand weggaat, iemand die je bijvoorbeeld nog kent van vroeger, er een gat in je leven raakt. Dat zie je dan zelf graag weer opgevuld. Door iemand anders bijvoorbeeld. Ene meneer Gordon (Mack), heeft het al in 1942 opgeschreven: there will never be another you. Later heeft Chet Baker daar nog een fijne trompetsolo bij gespeeld. En Chet niet alleen! Maar voldoende, nu. Het is al erg genoeg. Waar had ik het in hemelsnaam toch over? En of ik mezelf daar niet mee wil bemoeien.

En zo valt de avond. In mijn huis, met muziek die het huis weer leger maakt, omdat mijn cd speler 21 nummers zo door elkaar geschud afspeelt dat er een lied uitkletst wat ik liever niet had willen horen, nu. Het gaat nergens over, maar daar gaat het niet om, dat weet ik als geen ander. Ik heb een klok in mijn kamer hangen die op vijf voor twaalf staat. Als ik daar op kijk, denk ik aan de dag dat hij stil moest staan van mij. Er was namelijk de mooiste avond van mijn leven aan de gang. Met muziek daarbij. En mijn handen vol met een vrouw die nooit meer uit mijn leven zou verdwijnen.

Dat was alweer een tijdje geleden, merk ik, als ik even over mijn schouder naar de klok kijk. Het is nog steeds even laat, er klinkt andere muziek, rode wijn is inmiddels weer gewoon bier geworden. Ik proost op mezelf en hoef er niet bij te lachen.

~ Fred