De vreemde meneer

Deze keer wil ik graag vertellen over een collega. Nou ja, een echte collega was het niet, want we hebben hem maar een enkele keer gezien. Ik en Gerard (een verzonnen naam, voor een echte collega). Welnu, Gerard en ik. Op een dag, met regen. De morgen was nog niet begonnen, of we zaten aan de koffie. Koffie met suiker voor mij, met melk voor hem. Werkoverleg en van die dingen meer. Of ik een goed weekend had gehad.

 ‘Maar natuurlijk’, antwoord ik. En in mijn hoofd vliegt mijn weekend in een paar gedachten weer langs. De Efteling op zaterdag en het schilderen van de voordeur op zondag. Daarbij uiteraard een aantal frisse bieren, een handvol sigaretten en een heerlijke kaasfondue. Met wortels, komkommer en een schaaltje hete pepers.

‘En jij?’ Ook Gerard had een fijn weekend gehad. Jammer van de regen, gisterenavond.
‘Ja, jammer.’

Nog vijf minuten. Nog even snel een sigaretje. Nog even mopperen op de baas. En daar gingen Gerard en ik de trap af. Overall aan in de kleedruimte.

‘Wie is dat?’ Gerard vroeg het me bijna onhoorbaar. Er was een man de kleedruimte binnengestapt. Zo te zien geen uitzendkracht en zeker niet voor de eerste keer hier. Hij leek precies te weten waar hij moest zijn, maar geen van ons had hem ooit eerder gezien.

‘Weet ik niet.’ zei ik. we fluisterden. De man liep naar de kist met overalls en handschoenen en zocht er zijn maat uit. Hij zei niets. Hij had een baard, kleine ogen en vet haar dat langs zijn oren tegen zijn gezicht plakte. Hij was groot en er groeide haar op zijn handen. Gerard en ik konden er niets aan doen, maar we bleven hem als kinderen aanstaren. Toen hij de deur uit was en deze weer dichtviel, keken we elkaar aan.

‘Denk jij wat ik denk?’ vroeg ik.
‘Ik denk niks.’ Gerard had een been in zijn overall en stond, zonder aanstalten te maken zijn andere been erin te hijsen, naar de deur te staren.

‘Jaaaa!’ riep iemand. De altijd vrolijke chauffeur, met zijn haast onnatuurlijk belangstelling voor bier, stapte binnen. De stilte was gebroken en Gerard en ik deden onze overalls aan en liepen naar de heftrucks. We zeiden niets. De hele dag zagen we de man van die morgen niet meer. Niet in de pauze, niet bij het handen wassen. Toen we met z’n allen netjes in de rij stonden voor de tikklok, kwam de chef (laat ik hem voor nu even Sloots noemen) naar ons toe. Of we even wilden luisteren.

‘We zijn een heftruck kwijt,’ begon hij. Gerard en ik keken elkaar aan en dachten waarschijnlijk allebei hetzelfde. De chef ging door.

‘De 12 staat niet op zijn plek. We hebben op het terrein gezocht, maar hij is weg. Weet iemand iets, of heeft iemand iets gezien?’ Gerard keek mij even aan en begon te praten over de vreemde man van deze morgen. Niemand had hem gezien. Behalve ik, dan. We klokten uit en gingen naar huis. Ik met mijn vragen in mijn hoofd, zoals iedereen.. Eenmaal thuis, de kabelkrant zitten lezen, het nieuws bekijken. Maar niets. Een week lang spraken we nergens anders over. De 12 was weg.

Ons verhaal, van die kerel, werd maar half geloofd. Gerard en ik zijn nog naar de politie geweest en hebben een beschrijving van de man gegeven. Ons verhaal verteld. We werden bedankt en konden weer gaan. En alles zou zo zijn afgelopen, ware het niet dat we enkele maanden later (toen we inmiddels een nieuwe 12 hadden), bij de tikklok stonden en de chef ons het volgende vertelde.

‘Mensen, de verdwenen heftruck, de 12, is gevonden.’ Het werd stil. De chef kuchte en ging verder.

‘De truck is gevonden in Duitsland, net over de grens bij Venlo. Helemaal netjes gepoetst en met een volle tank. Kunnen jij (hij wees mij aan) en Gerard dadelijk even naar mijn kantoor komen?’ Natuurlijk konden we dat. We vertelden voor de tweede keer over alles wat we gezien hadden.

‘Hoeveel heb jij er al op, Fredje?’
‘Koffie, meneer?’
‘Nee, Fredje. Geen koffie.’