Mijn gulle lach

De hand aan mijn arm. Die zit daar al jaren. Toch droomde ik vannacht dat hij er zomaar van losraakte en op de grond viel. Dat was schrikken, natuurlijk. En oprapen viel al helemaal niet mee. Tijdens het wakker worden, nog voordat ik mijn ogen open deed, was mijn hand al wakker, want ik voelde er een stekende pijn in. Zo behoorlijk dat zelfs het krabben aan mijn zak niet meeviel. Wat me het meest verbaasde, was dat er helemaal niets te zien was. Geen deuk of kras of zelfs maar een bultje. Wat was er mis met mijn hand? Ik maakte een ferme vuist en kneep mijn nagels in mijn palm. Dat deed godverdomme nog zeer ook! Vier halve rode rondjes liet ik er achter.

Omdat ik besloot verder niet meer aan mijn hand te denken, stond ik op en begon aan mijn dag. En dat was maar goed ook. Van de weken die ik door heb gebracht in Singapore, kan ik me nog genoeg herinneren. Het is zelfs zo, dat ik er nog vaak aan denk. Wat zeg ik nu dan toch? Is de batterij van mijn telefoon nu alweer leeg geraakt? En ik bel al zo weinig. Dat was vroeger wel anders. Och, als ik daar nog aan denk.

Het gaat niet zoals ik wil en de tijd dringt ook maar door. En als ik dan langzaam in gedachten verdwijn, moet ik toch weer kijken naar dat stomme verleden wat me maar niet los wil laten. Maar het gaat mij even om iets anders en wel het volgende. Kijk, dat langs de kant van de weg nog steeds groene bomen staan, of dat de vlinder weer terug is in ons land, dat er, naast regenwoud verdwijnt, ook regenwoud bijkomt, het leven gewoon doorgaat. Hopla! En daar viel mijn hand weer op de grond. Zoals vannacht.

Een levenlang sterven. Met haken en ogen. Door de straten zwalken, zonder doel voor ogen en bij elke kroeg een bier bestellen zonder te weten waar ik wakker zal worden. Dat dat ergens zal zijn, weet ik zeker. Maar ik zal toch eerst moeten gaan slapen. Alleen toch, niet? Opnieuw. Hetzelfde en altijd maar weer die zelfde droom. Hetzelfde in slaap vallen. Hetzelfde denken als ik wakker word. Met mijn eigen haren op mijn kussen. Met in mijn armen niets dan lucht.

Voor mezelf een cadeau kopen. Een kaartje versturen. Met een beertje erop en een bloem. Denken aan foto’s die ik niet meer heb. Of pijn in mijn tenen van het schoppen tegen de deur. Zolang als het doorgaat, mag het van mij blijven duren. De keuken schoonmaken en daar niet trots op zijn. Of mezelf eens een maaltijd voorschotelen om van te smullen. Niet meer in een hoekje gaan zitten om verdwijnen voor iedereen die naar me kijkt. Bier bestellen en mijn zonnebril ophouden. Of dat ik een weekend naar Brussel ga en een kamer met een tweepersoonsbed reseveer, omdat ik niet alleen wil slapen.

Het zitten op de bank, het lezen van een boek, het horen van muziek. Dat alles anders is geworden. De rust in mijn hoofd. De onrust in mijn hart. Het altijd maar moeten denken. Niets opnieuw beleven, maar verdrinken in bier en al die verdoemde herinneringen.

Dingen die gebeurd zijn, zijn niet voorbij.

Fred Händl
2002

Hart met benen

Ik heb geen agenda. Vandaar dat ik vaak te laat (en soms helemaal niet) kom opdagen. Het zal me wat. Nu, bijvoorbeeld. Zit ik hemelsbreed in de voering van mijn jaszak te graaien, op zoek naar een aansteker. Maar eerst een sigaret. Dat hij mag smaken.

Het uiterlijk van menig mens mag dan wel eens te wensen over laten. Maar wat IS die wens dan precies? Dikkere tieten, of niet zo’n rare grijns om de lippen? Een precies ronde kont, misschien? Of lange haren, of juist kort? Of geen baard, bij de mannen? Kleine haartje rondom de tepels bij vrouwen. Net te hard om nog sexy en/of opwindend te zijn? Zijn wij met onszelf tevreden? Ik vraag dat in naam van, natuurlijk. Als je je lekker voelt, dan wel natuurlijk. Kun je meteen de hele wereld aan, terwijl dat niet eens hoeft! Verspilde energie. Laat ons klagen. Laat mij godverdomme klagen! Het is al weer veel te laat voor grapjes.

Koffie? Waarom moet ik die zelf maken? Daar zijn toch machines voor? De zogenaamde koffiemachines. Op een knopje drukken en heel even wachten. Uw beker zit, voordat U er erg in heeft vol met heerlijke koffie. Of vieze, dat kan ook. Ligt er maar net aan wat je er insteekt. Toch weer zelf iets doen. Ik koop mij nog eens een bediende, die reageert op een belletje. Dat ik hem (maak daar een ‘haar’ van) dusdanig train dat ze aan mijn manier van bellen kan horen dat het tijd is voor koffie. Maar niet alleen dat het tijd is voor koffie, maar dat ze ook nog eens hoort hoeveel suiker en melk ik er in wil. Dat verschilt per keer. Soms ga ik zelfs voor zonder suiker. Dat is te leren.

‘s Avonds kruipt ze in haar eigen bed. In haar eigen kamer, aan het einde van de gang. Met de deur, waarvan naast zij, ook ik een sleutel heb. Soms loop ik naar die deur, met sleutelgat en kijk daar dan doorheen als ze zich aan het om- of uitkleden is. Dan probeer ik de kleur van haar slipje te raden. Meestal zit ik er naast, maar heel erg vind ik dat niet. Ik hou van verrassingen. Haar benen zijn niet de allermooiste, maar ze brengen haar waar ze moet zijn. En daar zijn ze tenslotte toch voor gemaakt, denk ik dan maar. En als ze zich bukt, valt het eigenlijk reuze mee. Maar wat doe ik hier? Op mijn knieën? Ik kijk naar haar en wens dat ze bij mij in bed komt liggen dadelijk. Dat ik morgen zelf mijn koffie zal zetten. En ook voor haar. Ze zorgt al zo lang zo goed voor me. Hier zit ik dan, te kijken – ik zie te weinig – en zie haar lachende ogen voor mijn gezicht terwijl we elkaar liefhebben. Liever dan ze is, kan ik haar niet hebben. Ik klop niet aan haar deur, wil haar niet in verlegenheid brengen. Zij, die door mijn belletje weet wie ik ben. Ik schaam me, omdat ik haar ik niet al te mooi vind, maar toch met haar naar bed wil. Ik sta op en om het een en ander dan wat goed te praten, zeg ik – tegen mezelf -, terwijl ik naar mijn eigen kamer loop, met mijn bed: ‘een mooi hart gaat langer mee dan mooie benen‘.

Fred Händl
2002

Eenzaam zijn

Soms ben ik wel eens eenzaam. Dan denk ik natuurlijk aan de dagen en weken dat ik dat niet was. Dat is er geen oplossing voor, dat weet ik. Maar ik doe het toch en meestal wordt het dan nog erger en dan ga ik nog meer denken aan de dagen en weken dat ik dat niet was. En zo maak ik mooie cirkels in mijn hart en soms ook in mijn buik. In mijn buik is immers genoeg ruimte voor bier. En op eenzaam zijn moet gedronken worden, zeg ik altijd maar.

Nu is het zo, dat deze kleine aanvallen van eenzaamheid meestal vanzelf weer overgaan, hoor. Als ik naar Chet Baker luister, of ik ga eens flink bladeren in mijn enorme verzameling prentenboeken. Maar dit keer is het helemaal anders. Alsof het niet meer overgaat, maak ik mezelf wijs. Ik luister graag naar slechte berichten als ze om mezelf gaan. Ik vraag mezelf niet om me er boven op te helpen. Waarom zou ik dat doen? Bestaat er dan geen kroeg met mensen die op me wachten? Is er dan echt niemand die mijn hand eens vast wil houden en tegen me zegt: ‘Fred jongen, het komt allemaal wel weer in orde.’ ?

Hahahaha, laat mij lachen om de domme vogels die tegen ruiten aanvliegen. Of om iemand die in de poep trapt. Of om een vreselijk ongeluk, mijn eigen ongeluk bijvoorbeeld. Smakelijk eten, een fles bier met daarin bier, natuurlijk. Tot op de bodem leeggedronken. Helemaal door mijzelf. Dat kan ik nou toevallig eens heel erg goed. Het moet niet te gek worden, maar op zijn tijd (mijn eigen tijd) mag dat smaken.

Het is maar goed dat ik een kat heb die me regelmatig eens krabt zodat ik hem van de trap af kan gooien. Joepla! En ik maar lachen, door mijn dikke trui en tranen heen. Voetballen in de tuin, tegen het muurtje van de buren aan. Dan komt de bal ook nog eens terug, zodat ik niet te ver hoef te lopen. Het is een spelletje wat ik alleen kan doen. Of schaken en valsspelen. Maar het allerliefste kijk ik niet naar de televisie.

Ik let eens extra op als ik mijn flesje bier openmaak. Het geluid verraadt de inhoud. Bier. En zo mag het zijn. En nu moet ik ook nog eens een radioprogamma in elkaar gaan draaien, alsof dat zou helpen! En of het dat doet. En zo is ook die cirkel weer een rondje geworden. Mag ik jullie eens uitnodigen om dit bier hier, in een fijne fles, samen met mij op te drinken? Zomaar, van op een afstand. Misschien dat ik merk dat ik niet altijd alleen hoef te drinken, maar dat er iemand is die mijn hand eens vast wil houden en tegen me zegt: ‘Fred jongen, proost!’.

Fred Händl
2002