Huis van beschuit

Sta ik er weer mooi voor. Met een bier in mijn hand en in mijn andere hand een sigaret; een column schrijven. Of het over beschuit kon gaan. Nee, natuurlijk niet. Maar goed, je gaat er dan toch maar voor zitten. Nog een bier, dan. Het wordt een lange dag, in het noorden van ons land. Dat moet je eens aan een Canadees vertellen. Fred gaat met de trein. Hopla. In de eerste klas, wat denk ik wel? Ik moet toch in hemelsnaam werken? Met op mijn schoot een draagbare computer. Vreselijk modern allemaal. En nu nog een goede microfoon kopen. Ooit. Of batterijen.

Beschuit, dus. Godverdomme, wie verzint zoiets? Beschuit. Afkomstig van het Franse woord biscuit, wat dubbel gebakken betekent. In America, waar ik ben geboren (Chicago, Ill., red.), hebben ze triscuits. Die zijn maar liefst drie keer gebakken. Ze zien er uit als kleine kussentjes, met gaten daarin. Gemaakt van allerlei granen en ook te gebruiken als ontbijt, met een fikse liter saaie melk daar overheen. Van melk maken hebben ze in America geen kaas gegeten. Ook brood is laf en onduidelijk. In Duitsland, daarentegen, zijn de Kaisers niet te versmaden, vooral niet in de ochtend, na een lange nacht vol Beck’s en Warsteiner. Maar beschuit, hemel! De vorm alleen al.

Leuke dingen met beschuit

Wie kent het niet? Een beschuit in de mond verstoppen en dan zo snel mogelijk proberen te fluiten. Ik kom niet meer bij. Wat een lol. Of er eentje opkruimelen en die kruimels dan bij iemand in bed verspreiden, ook wel aardig. Of ze in de chocolademelk leggen. Maar het allerleukste vind ik nog wel om ze allemaal tegelijkertijd en nog in de verpakking met dusdanig geweld te verpulveren, dat alle dertien (en waarom dertien?) beschuiten reeds vóór consumptie heeft plaatsgevonden, het einde laten. Broos zijn zij.

Ik haat beschuit.

Zoals zij ze voor me smeerde, voorzichtig en al haar liefde, als ik nog lag te slapen. Met een laagje dunne boter, een reepje ham. Dat ze me voorzichtig een kus gaf, waarvan ik dan wakker werd en naar haar mocht kijken. Kroop ze nog even bij mij. Met het lekkerste ontbijt van de wereld in mijn maag, vielen we nog even in slaap. En al knijpend in mijn eigen hand, kijk ik naar haar rug, die ze mijn huis en mij daarbij, voor altijd toekeerde.

Fred Händl
2002

Chet Baker

Misschien is het omdat Frank Zappa een tijdje geleden al zei: To me, a cigarette is food.

Niemand heeft het eeuwige leven, al dacht de brievenbussenopblazer in Amerika daar heel anders over. Dat heeft u toch zeker ook wel gezien? Zomaar, willekeurig bij wie dan ook een bom in de brievenbus steken. De wereld staat op haar kop. Heel erg ontevreden ben ik daar niet over, hoor. Het werd wel weer eens tijd. Dat we ons verenigen. Als ménsen. Niet als naties. Iemand die zijn hand ophoudt voor een aalmoes. Duizenden mensen die sterven omdat de aarde beeft. Als dat maar ver weg gebuert, dan is er hier, bij ons thuis, niets aan de hand.

PANG! En daar gaat Pim Fortuyn. Met een walgelijke foto in De Telegraaf.

Slapen met mijn handen onder mijn hoofdkussen. Omdat er niemand naast me ligt. Mijn knuffel van ja heel mijn leven heeft niets in de gaten. De hele dag ligt hij reeds in mijn bed, te wachten totdat ik erbij kom liggen. Vraagt niets, hoeft niets. Als ik hem om zijn versleten nek vastpak, vraag ik me af of er misschien een mooie nieuwe nek is, die ik vast kan nemen. Strelen. En zelfs kussen, wellicht.

In mijn auto rijd ik. Op weg naar huis en ik luister naar mijn land op de radio. Iedereen is dan ook echt weer opeens een Nederlander. Ik ook. Daar is niets aan veranderd. Maar of ik het wil blijven? Maar wat dan? Belg worden? Turk?

Ik rook nog een sigaret, maar dan ga ik toch echt weer eens in mijn bed liggen. Om spijt te hebben dat het slecht gaat. Met mij. Met de wereld en het land waar ik ben geboren. Maar het allerbangste ben ik nog voor het vergeten. Het vergeten van wat er maandag 6 mei 2002 is gebeurd. Ik zal het niet vergeten. Kan het niet vergeten. Wil het niet vergeten. De angst dat de woorden van Pim Fortuyn voor niets zijn geweest in een paar weken. Dat alles weer (zoals het hier altijd doet) ‘op zijn pootjes terecht komt’. Niets komt op zijn pootjes terecht, hier. Altijd maar die verdoemde put delven als er een kalf is verzopen!

Ik heb het me niet voor kunnen stellen, maar ik huil. Werkelijk. Om mijn land. Om mijzelf. Omdat ik zo vreselijk bang ben dat er niets zal veranderen. Dat Pim Fortuyn voor niets is doodgeschoten. Ik zou willen wegkruipen. Ergens waar geen regering is. Geen land. Geen volk. Geen pijn. Geen oorlog. Geen haat. Geen moord. Geen pijn. Ik realiseer me dat ik er alleen zal zijn. Helemaal alleen. Nóg eenzamer dan ik nu al ben. Ik raap mijn tranen bij elkaar, drink een bier en ik rook de laatste voor vandaag.

Naar bed. En daar is dan Chet Baker. Hij toetert me in slaap, met de woorden almost blue. Ik grijp mijn knuffel van ja heel mijn leven en vraag hem, met mijn ogen dicht: wat denk je, hier kan toch nog best iemand bij? En ik geef zelf antwoord, maar ik kan er niet om lachen.

Fred Händl
2002

Una birra, porfa

Waarschuwing vooraf: Onderstaand verhaal is geen aangenaam verhaal. Sterker nog, het is een zeer onaangenaam verhaal. Maar zo ook is het leven. Soms zie, lees of hoor je zaken die je liever niet gezien, gelezen of gehoord had. Dit verhaal zou zo maar in dat lijstje kunnen passen. Het is aldus aan u of u verder leest. Of niet.

Una birra, porfva

Ik ga nooit naar de kroeg. Als ik dat wel doe, is dat dus een uitzondering. Meestal zit ik lekker thuis, met voor mij een blik bier naar keuze en luister ik naar muziek waarmee ik niemand lastig val, op mijzelf na, dan.

De kroeg, zoals ik hem mij herinner van vroeger, is niet mijn plek. Jazeker, ik ben er sporadisch te vinden (café Rembrandt te Schiphol is welhaast mijn stamkroeg te noemen), maar een gewoonte wil ik er niet van maken.

De laatste keer dat ik zomaar een kroeg binnenwandelde voor een aantal vers getapte bieren, zal ik niet snel meer vergeten.

Ik schoof aan, aan de dunbezette bar en bestelde mij een halve liter (wat in werkelijkheid bij de meeste bars een groot glas van maximaal 0.4 liter betekent). Naast mij zat een kerel die er al wat langer zat. En zat was. Was hij zat, dan was hij dat. Zat was hij. Behoorlijk. En daarmee heb ik geen enkel probleem.

Hij vertelde me over zijn kutleven, en ik vertelde hem over het mijne. En we trakteerden elkaar op nog meer bier en daarna wijn. Rode wijn, moet u weten. Nadat wij een fles eenvoudige Dourthe hadden weggewerkt, was het tijd voor mij om op te stappen. Helaas was opstappen niet zo eenvoudig als ik had gedacht. Mijn kompaan besloot namelijk om iets zeer persoonlijks met me te delen. En dan moest op het toilet gebeuren. Nee zeggen was geen optie (echt, u had er bij moeten zijn, dan had u het begrepen), dus ik volgde hem naar het toilet.

Daar liet hij mij zijn Spaanse kraag zien. Zomaar. Opeens. Zonder dat ik ook maar iets kon doen om hem tegen te houden. Het was voor mij de eerste Spaanse kraag die ik in mijn leven zag. In het echt, dan. Het was, zo stelde ik mijzelf voor, het schoolvoorbeeld van een Spaanse kraag. In vol ornaat. Rood, kloppend en met gele randjes. En vooral heel dik en pulserend. Alsof hij elk moment uit elkaar zou kunnen spatten. dat deed hij gelukkig niet, maar het was bijna onmogelijk om er niet naar te kijken.

Dat er iemand was, in deze tijd van hygiëne en medische voorzieningen, die er trots op was een Spaanse kraag te torsen … en wát voor een. Het ging mijn voorstellingsvermogen te buiten.

Omdat hij het verwachtte, complimenteerde ik hem met zijn rode en etterende rand, en liep ik het toilet uit. En alles was prima geweest, als ik op dat moment gewoon naar huis had kunnen gaan. Maar helaas. Mijn nieuwe vriend riep me terug en voordat ik goed en wel in de gaten had waar hij mee bezig was, zag ik een straal bloed van tussen zijn benen tegen de witte tegels spatten.

“Daar! Daar!” gilde hij, en zijn handen zaten vol met bloed. Onder zijn nagels hingen lange korsten met gele etter, rood bloed en onduidelijke witte druppels. Hij zeeg ineen tegen de muur en een plas bloed vormde zich om hem heen. “Kijk! Kijk!” riep hij en hij hield zijn hand omhoog. Er kwam een klein schuimrandje op zijn bovenlip. Zijn onderlip had hij tussen zijn tanden geklemd en hij beet er op, totdat zijn tanden op elkaar stonden. De plas bloed op de grond had mijn voeten bereikt, dat voelde ik. Zien deed ik niets anders meer. Ik had alleen maar een pervers oog voor de stukgetrokken kraag die hij in twee of drie repen los had gescheurd van zijn piemel. En het was niet enkel de kraag waar hij van verlost was. “Kijk.” zei hij, heel wat zachter nu. “Kijk.”

~ Fred Händl, 2013

Viermaal

vuur in mijn hand
mijn hart is droog
mijn ogen nat
ik huil, en zo

trap tegen de muur
en maak een vlek
van het rubber van
mijn schoen

rook in nog een sigaret
voordat ik ga slapen
‘k weet het ook niet altijd
het gezoem
de pijn

muziek in mijn oren
fluit me terug
zoals we deden
hand in hand

de zon daar in de zee zien zakken
het is elf uur

 

~ Fred
2009

Voor tegen het lachen

Wat ben ik nu toch weer aan het drinken? Het is geen bier, dat proef ik meteen. Maar wat is het dan wel? Ik heb het toch zeker zelf wel ingeschonken, zeker! Wacht even, ik zie het al. Het is limonade. Van de aardbei. Helemaal rood is het ook.

Alsof ik het nog niet druk genoeg heb, stond er een uur geleden niemand aan mijn deur. Ik deed nog wel netjes open, omdat ik dacht; stel mij voor dat er niemand aan de deur staat! En zo was het dus. Kijk, dat geluk heb ik soms. Maar dat nam niet weg dat de was, in een berg naast mijn bed en in de keuken, steeds harder begint te stinken. Langzaam maar zeker wordt die berg groter en blijkt er in mijn huis weinig ruimte voor frisse lucht te zijn. Niet dat ik me daaraan niet stoor, hoor. Het geeft net weer wat meer sjeu aan naar buiten gaan. Want, zoals ik weet, buiten zijn doe ik alleen als ik mijn huis uitga.

Vanmorgen had ik het mij nog zo voorgenomen. Vandaag ga ik dan eindelijk eens op zoek naar een nieuwe liefde in mijn leven. Dat leek me wel een fijn plan. Anders zit ik maar weer de hele dag tussen dezelfde muren als die van gisteren en waarschijnlijk morgen. En nu moet ik opeens vreselijk naar de wc. Tijdens het opstaan van mijn stoel, gooi ik het boek wat ik aan het lezen was door de ruit. In de tuin. Dat het daar maar even een tijdje gaat liggen!

Zo brom ik mij door de moeilijke dag heen, niet dat me dat niet van mijn humeur beroofd, hoor. Ik kan namelijk nog steeds hartig lachen om iemand die struikelt. Met de kin vooruit. En dat is maar een voorbeeld, vertel ik ook mezelf. Redenen genoeg om een bier te pakken, maar hier staat nog limonade. Hoe ik dat in mijn hoofd heb kunnen halen?! Weg daarmee! Hoe makkelijk ik dat hele glas van de tafel afveeg. Zonder moeite ook nog eens en harder dan nodig. Over mijn broek! Godverdomme. Ik krijg er wat van!!

Als ik dan met twee tassen vol vuile kleren voor de doe-het-zelf wasserij sta, is deze al een tijdje weer gesloten. In de ruiten van de wasserij en de viswinkel aan de overkant, zie ik mezelf staan. En ik was nog wel te voet. Zo wordt die berg wel weer groter en ik gooi de twee tassen in een houten kist voor Polen. Zo zie ik maar weer.

De armen van mijn huis heten me weer welkom. Zo voelt het toch nog een beetje alsof ik ergens thuis kom. Mijn harige kat ligt, even lui als ik, op de bank. De slaap maar opzoeken dan, zonder nog meer te drinken. Het uitkiezen van de dames die me straks, als ik slaap en me er daarna niets meer van herinner, mogen komen bezoeken en zo lang naast me mogen liggen als ze zelf willen. Liever niet wakker worden als het vroeg in de morgen is, of midden in de nacht om te moeten pissen. Maar gewoon doorslapen, totdat al mijn dromen klaar zijn. Totdat ik van slapen niet meer moe word. Totdat ik niet meer opkijk van het zetten van twee kopjes koffie. Totdat ik zonder mijn ogen open hoef te doen, weet dat ik niet alleen ben. Totdat ik niet met het ochtendlicht in het glas hoef te trappen wat ik de dag ervoor door mijn kamer smeet. Mag ik dan nu eens voor mijn grap een kras in mijn wang trekken? Daar krijg ik toch geen kussen op.


Fred
2002

Verdeel mij

De tijd dat ik onbezorgd, als jonge hond door mijn leven rende, nergens bang voor was en alles en iedereen aankon. De tijd dat ik lachte om mijn problemen en altijd met een rechte rug voor de spiegel stond. De tijd dat ik met mijn energie niet wist wat te doen, de nachten die ik oversloeg om maar niet op te hoeven houden met feesten. De tijd dat elk uur door mij geleefd werd, intens, oprecht en met volle overgave. De tijd van verliefd zijn, opnieuw verliefd worden, op reis, naar verre vreemde landen gaan. De tijd dat voor mij de wereld een speelveld was, waarop ik zonder remmen overheen kon rennen, en dat ook deed. De tijd van bij mijn vader voor de open haard, onder een warme deken. Met mijn moeder naar de supermarkt. De tijd dat ik voor het eerst helemaal alleen de boodschappen mocht doen. De tijd van mijn eerste leren jas, mijn studie, op kamers. De tijd dat ik bij mijn ouders niet meer in de buurt woonde, maar elk weekend weer stond te popelen om naar hen af te reizen. Een weekend thuis. Bij mijn ouders. De tijd dat dat mijn thuis was. Hoe dan ook. Wanneer dan ook.

Die tijd, die tijd is voorbij. Die tijd is aan mij opeens voorbij gedreven, als een storm de al mijn mooie schapenwolkjes uiteen heeft gereten. Terwijl ik er naar keek. De gedachten aan die tijd zitten nu de hele dag nog in mijn hoofd en tegenwoordig ben ik boos. Boos en bang. Boos omdat ik die tijd maar niet kan missen en bang omdat in het verleden te blijven hangen. Grijpend naar elk halmpje dat zich mij kant heen strekt. Soms krijg ik er eentje te pakken, maar voordat ik hem naar me toe kan trekken, knapt hij en veert hij terug naar mijn verleden, en dan zak ik teleurgesteld en eenzaam weer in mijn stoel van het heden.

Op de vraag ‘waarom?’ durf ik mezelf geen antwoord te geven, omdat ik zou kunnen denken dat het allemaal mijn eigen schuld is geweest. Of dat ik het niet verdiend zou hebben (had ik vroeger maar wat rustiger aan gedaan, mijn geluk wat beter gespreid opgemaakt). En vraag me dan af of ik inderdaad wel deug. Voor het leven.

Dan zijn er dagen dat ik als een hinde uit mijn bed spring, de dag stralend lachend tegemoet loop. Zingend zelfs! In de keuken met de radio mee, terwijl ik zonder morren de afwas doe en uit de koelkast een heerlijk eitje bak. Met tomaat en wat geraspte kaas. De deur van het balkon open, en de nog frisse ochtend waait zich naar binnen. En samen met mijn geluk begin ik aan de dag. Hupsakee! Wéér liggen dromen. En de donkere dag, midden in de zomer, neemt plaats op mijn schouders om daar de hele dag maar te blijven zitten. Totdat ik niet verder gebukt kan gaan, en moe en versleten op mijn bed ga zitten. Probeer ik nog even een boek te pakken. Laat ook maar. Slaak een zucht en trek de gordijnen dicht, om het enge buiten maar vooral niet te hoeven zien en ik knijp mijn ogen harder dicht dan nodig is. Mijn handen knijpen in mijn kussen. Mijn voeten krijg ik niet stil, die leven hun eigen leven. En bang val ik in slaap. Bang voor dromen. Bang voor de volgende dag. Want het is de cirkel die mij schaadt.

De gaten in mijn opgewekt humeur zijn onopgemerkt gevallen. Zonder er lang over na te denken, kan ik nog de dagen aanwijzen, op de dag nauwkeurig, waarop ik mij oprecht gelukkig voelde en vertrouwd. Vertrouwd met alles om me heen, maar vooral het vertrouwen in mijzelf, dat ik zonder schaamte met me mee droeg en deelde met iedereen waar ik van hield. De dag dat ik mijn zeventiende verjaardag vierde, de vijf dagen daarna en alle dagen daarvoor. De dag dat ik voor het eerst het meisje met die hele mooie zwarte ogen kuste en met mijn voeten los kwam van de vloer. De dag dat mijn oma 70 werd en ons allemaal mee uit eten nam, en ik en mijn neefjes renden door het restaurant en speelden onder de tafels. De dag van het kanovaren in Frankrijk. Het karten met mijn vader en de hele lange waterglijbaan in Kopenhagen. En de dag dat ik mijn eerste cd-speler aansloot op mijn eigen kamer.

Vraag me niet waarom of waar mijn tij is gekeerd. In de donkerste hoeken van mijn ronde hoofd zit nog steeds dat geluk verscholen. Bang, welhaast, om tevoorschijn te komen. Bang voor alle teleurstellingen die van mij sindsdien een ander mens hebben gemaakt. Soms, als niemand kijkt, trek ik een oude herinnering uit een stoffige lade in mijn hoofd en bezie ik deze door de tranen in mijn oog. Alsof ik de dag nog ruik, het schoolreisje en mijn rugzakje vol met blikjes Cola en snoepjes. Een dag die nooit voorbij mocht gaan. Ik pak mijzelf in mijn hand, en daar sta ik. Een klein ventje, in de palm van mijn volwassen hand. Met een rood rugzakje en een intens gelukkige lach op zin gezicht. Ik herken mijzelf en weet waar ik toen was. In de Efteling, vlakbij een Holle Bolle Gijs, om mijn snoeppapiertjes weg te gooien. Wat vond ik die zuigende lucht toch spannend! En nu, vlug, naar de dansende schoentjes kijken! En hup! Daar spring ik van mijn hand, en ren ik over mijn bureau. De donkere vergetelheid weer in. Ik kijk dan nog even naar mijn lege handen, zie hoe oud die zijn geworden en zou er alles, maar dan ook alles voor geven om de tijd terug te kunnen draaien. Weer naar de Efteling. Ik was negen.

De dagen zoals ze nu voorbij kruipen zijn dagen die ik niet wil onthouden. Dagen die ik niet zo zeer doorbreng in constante angst, maar wel in de complete leegte van mijn geluk. Vooruit, ik mag niet klagen. Ik heb toch geen enkele reden om ongelukkig, alleen of bang te zijn? Iedereen weet het beter. Behalve ik, zo schijnt. Want ook al zie ik mezelf nog niet aan een touw van het plafond hangen, het ongrijpbare verleden schittert als de felste diamant. Prachtig, maar ongrijpbaar achter glas van de duurste juwelier.

Ik knip mijn nagels en was mijn handen. In de spiegel kijkt iemand niet onvriendelijk, maar zonder lach om zijn mond naar mij. Ik herken mijzelf in hem en geef hem een knipoog. Een knikje om hem te laten weten dat het waarschijnlijk allemaal wel zo zal blijven als het gaat. De dagelijkse vlugheid van de pijn en het verkrampte leven heeft haar in mijn macht. En net zoals die meneer daar in de spiegel voor me, bal ik mijn vuisten en wil ik iets heel duurs kapot maken. Mijn servies aan diggelen smijten en overal tegenaan trappen. De schuld ligt niet bij mij. De schuld ligt niet bij mij! Iets kapot gooien doe ik niet. In plaats daarvan knijp ik met mijn korte nagels in de muis van mijn hand, mijn ogen dicht en probeer te bedenken wat ik zal gaan doen. Trek ik een blikje bier open? Het zou zo maar kunnen, het is de eerste van vandaag. Wacht ik nog even? Ga ik misschien naar buiten? Of ga ik rommelen in een van mijn schoenendozen vol met herinneringen? Stap ik in bad? Zet ik koffie? Laat ik me vermaken door een van de miljarden filmpjes op het internet? Ga ik zitten voor de open haard, en stook ik wellicht een vuurtje? De warmte in mijn huis, mijn warmte. Surrogaat voor de deken om mijn ziel.

Mijn leven, zoals ik het kende. Zoals ik het me herinner. Een leven vol vrolijkheid, kattekwaad en energie. Een dagje naar de dierentuin, bijvoorbeeld. En nee, ik was geen zeven, of vier of zelfs maar twaalf. Ik was twintig, eenentwintig en ik genoot van elke stap die ik zette. Elke nieuwe indruk, een dier, een boom een frietje, met heerlijke mayo. Blikjes cola, de zon op mijn kop. Met mijn ouders, of alleen. Of samen met een vriend of vriendin. Alles en overal. Het was écht een dagje uit. Een dag om naar uit te kijken. Waarom is dat gevoel verdwenen? Waarom ben ik niet meer blij, om een dagje of een weekend weg te gaan? Waarom is alles een obstakel geworden? Aaaaaarggh!! Ik sta soms voor de spiegel en ik krijg dan medelijden als ik in mijn eigen ogen kijk. Waarom? Die eeuwige vraag. Waarom?

Ik heb mij voorgenomen om die vraag niet te gaan beantwoorden, omdat ik bang ben dat ik het antwoord nooit zal geloven. Wat het antwoord ook is, het is geen – en kan nooit zijn – een verklaring zijn. Nooit een geldige reden.

De paniek en de angst die zich een plaats in mijn leven hebben toegeëigend kan ik de kop wel afrukken. Als ik alleen maar zou weten hoe. Als ik alleen maar zou weten hoe. En ik, getroffen door een onverzadigbare drang naar mijn eigen verleden, heb me voorgenomen om nu eens mijn handen in elkaar te slaan. Mijn rug te rechten en mijn kin omhoog te steken en mijn herinneringen te vermoorden. Stuk voor stuk. Eén voor één.

Met mij niet meer! Niet langer gebukt onder al het moois van vroeger. Niet langer verdrinken in de herinnering aan dat kleine kereltje van vroeger, dat altijd blij was. Het is genoeg, nu. Genoeg. Ik ga de navelstreng, die me tot vandaag voor altijd heeft verbonden met het verleden, met een bot en roestig mes van me afsnijden. Met mijn blote handen, als het moet.

Met tranen in mijn ogen zie ik hoe mijn glimlach van altijd verdwijnt in een donker niets. Ik blijf leeg en zonder pijn van al mijn mooie dagen achter. Op mijn stoel. Vandaag. Met een bier in mijn hand en een leeg leven. Leeg als een blad papier, waarop ik vanaf vandaag opnieuw zal tekenen.

Fred Händl, 2010